

De oliemarkt is op een punt gekomen waarop een vredesdeal tussen de Verenigde Staten en Iran niet automatisch meer voldoende is om de schade snel te herstellen. Dat klinkt misschien vreemd, want een akkoord zou in theorie de grootste geopolitieke dreiging wegnemen. Maar in de praktijk is de verstoring inmiddels zo groot dat logistiek en fysieke beperkingen de markt nog maanden kunnen blijven ontregelen.
De kern van het probleem is simpel: zelfs als de Straat van Hormuz morgen volledig heropent, betekent dat nog niet dat de oliestroom direct weer normaal wordt.
De schade zit nu in de logistiek
Een belangrijk deel van de verstoring zit in de enorme hoeveelheid olie die momenteel vastzit in drijvende opslag. Naar schatting gaat het om ongeveer 160 miljoen vaten olie in tankers die eerst gelost moeten worden. Alleen dat proces kost al 30 tot 40 dagen, en daarna moeten die schepen ook nog terugkeren voor een nieuwe cyclus.
Daarmee is meteen duidelijk waarom een diplomatieke doorbraak niet automatisch tot snelle verlichting leidt. De infrastructuur op zee heeft tijd nodig om weer op gang te komen.
De tankerketen loopt volledig uit
Daar komt nog een tweede probleem bovenop. Ongeveer 70 VLCC’s, de allergrootste olietankers ter wereld, zijn onderweg om Amerikaanse olie te laden voor Azië. Ook daar zit een enorme vertraging in de keten.
Zo’n cyclus bestaat uit:
- 6 tot 8 weken voor laden en voorbereiding
- 45 tot 50 dagen voor de vaart
- 20 tot 25 dagen voor lossen en terugkeer
Het gevolg is dat er niet zomaar binnen enkele dagen weer een betekenisvolle stroom tankers door de Straat van Hormuz zal varen. Realistisch gezien duurt het volgens deze berekeningen eerder drie maanden of langer voordat de tankerbewegingen weer echt normaliseren.
Ook opslag op land moet eerst leeglopen
Alsof dat nog niet genoeg is, zit er in het Midden-Oosten ook nog een enorme hoeveelheid olie in opslag op land. In totaal gaat het om ongeveer 600 miljoen vaten. Producenten zouden eerst ruwweg 200 miljoen vaten uit die voorraden moeten afbouwen voordat de productie weer op een normale manier kan worden opgestart.
Ook dat is geen kleine operatie. Daarvoor zijn tientallen tot honderden tankers nodig. Met het huidige tempo lijkt dat pas ergens richting medio of eind juni echt in balans te kunnen komen.
Dat betekent dat grote producenten zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Koeweit, Qatar, Irak en Bahrein weliswaar uiteindelijk weer kunnen opschalen, maar niet direct.
De markt is mogelijk al voorbij het breekpunt
Juist daarom wordt nu steeds vaker gezegd dat de oliemarkt zijn breekpunt al heeft gepasseerd. De cumulatieve opslagverliezen door de sluiting van Hormuz zouden al zijn opgelopen tot ongeveer 1 miljard vaten, en kunnen tegen eind juni richting 1,98 miljard vaten stijgen.
Dat zijn hoeveelheden die niet zomaar met commerciële voorraden elders kunnen worden opgevangen. Op een gegeven moment moet de markt dan op een andere manier in balans komen.
Hogere prijzen worden dan het medicijn
Als er fysiek te weinig olie beschikbaar blijft, dan moeten prijzen zover stijgen dat consumenten en bedrijven vanzelf minder gaan gebruiken. Dat is hard, maar historisch wel hoe de markt zichzelf vaak herstelt wanneer aanbodschokken te groot worden.
In zo’n scenario is een vredesdeal dus niet meer voldoende om olie direct fors lager te zetten. Die deal zou dan hooguit het ergste voorkomen, maar niet de bestaande logistieke achterstand en voorraadproblemen meteen oplossen.
Het bericht Zelfs een vredesdeal met Iran is mogelijk niet genoeg om de oliemarkt te redden verscheen eerst op Newsbit.

